Dag 6: Cochem - Winningen (bij Koblenz)

Pension Schneider
Onze laatste echte fietsdag. Formeel gesproken naar Koblenz, maar een leuke slaapplek voor twee nachten (om op de tussenliggende dag Koblenz ook even te echt kunnen bekijken) was alleen op zekere afstand te vinden, dus we blijven steken in Winningen, een goede 10 kilometer stroomopwaarts.

In Pension Schneider gaat de ontbijtzaal stipt om 8 uur open, en heeft ieder zijn toegewezen tafeltje. Strak geregeld. Het ontbijt zelf is weer degelijk Duits, met alles d'r op en d'r aan behalve roerei - maar dan wel weer een gekookt ei. Eigenlijk was het ontbijt alle dagen goed (elke dag verse broodjes, één keer zelfs roerei), net als trouwens het bed, de fietsenkelder, en ook de prijs. Het heeft Margrieta weliswaar heel wat uurtjes gekost om dit bij elkaar te boeken, het resultaat is er naar.

Waterstanden
Met het ontbijt achter de kiezen fietsen we langs de nog steeds indrukwekkende Cochemer burcht, die we evenwel onbezocht laten. Een torentje aan de weg laat waterhoogten zien van overstromingen, ook indrukwekkend: die van 1993 met name is twee keer manshoog, en als je bedenkt dat de weg zelf vele meters boven het huidige waterpeil ligt, overstijgt dit ons voorstellingsvermogen. Bij naslag vermeldt de Duitse wikipedia een hoogte van rond de 10 meter boven normaal, waarlijk onvoorstelbaar. In deze contreien was de overstroming van 1995, die in Nederland 250000 mensen tijdelijk hun huis uit joeg, juist veel minder verwoestend.

In Cochem wisselen we maar weer eens van Moezeloever, in een poging om de autoluwste weg te vinden, en ook omdat ons aan gene zijde een stukje natuurgebied beloofd wordt. Onverhard, en na langdurige regen niet aan te bevelen, maar daar is recent geen sprake van geweest. Helaas blijkt natuurgebied niet equivalent met natuurschoon: het is een vrij saaie, inderdaad slecht verharde bosweg zonder veel bijzondere kwaliteiten.

Riskant bospad (drones untersagt!)
Weer terug dan maar naar de noordoever, om ons hoofddoel van deze dag te bereiken: Burg Eltz, iets meer in het binnenland gelegen, ten noorden van de rivier. In tegenstelling tot de meeste kastelen geen ruïne, en de plaatjes zijn veelbelovend. Een ander verschil is dat dit kasteel in feite niet aan de Moezel ligt, maar aan de Eltzbach: om het te bereiken moet je een stukje landinwaarts fietsen, en daarna ook nog een paar kilometer te voet afleggen. Dat hebben we er wel voor over (de plaatjes zijn veelbelovend).

Licht riskant is deze onderneming wel: ons beider onderstel is niet meer helemaal op sterke stijgingen berekend, net zomin trouwens als ons schoeisel. Het pad blijkt vrij smal, op een helling langs de beek. Op zich een mooie wandeling, maar we weten niet wat ons in hoogtemeters te wachten staat: een pad als dit kan zich zonder enige waarschuwing ontpoppen als Klettersteig, en dat zal dan noodgedwongen rechtsomkeert betekenen. Die vrees blijkt echter ongegrond: het is meer een gezinsuitje dan een stoere wandeling. Na een kilometer of wat door het bos bereiken we vrij onverwacht de voet van het kasteel.

Oprijzend uit het bos: Burg Eltz
Er leiden meer wegen naar deze toeristische attractie, en sommige van de andere zijn met de auto berijdbaar. Dat betekent een toevloed aan dagjesmensen, die zich om dit uur, rond twaalven, al in een snel groeiende rij voor de toegangspoort scharen, om de 12 euro per (volwassen) persoon af te tikken die het blijkt te kosten dit bouwwerk van iets naërbij te mogen aanschouwen. Wij zouden het liefst hier onze dagelijke taartlunch genieten, ook om de lichaamstemparatuur weer naar een aangenamer niveau te laten dalen; maar om de restauratie te bereiken blijkt eerst dezelfde toegangsprijs te moeten worden betaald. Dat is een dusdanige domper dat we er dan maar helemaal van afzien en langs dezelfde weg de aftocht blazen.

De uitgestelde taart halen we in bij het hotel-restaurant waar we onze fietsen geparkeerd hebben (omdat het vanaf daar wandelen was). Je vraagt je op een plek als deze af hoe het nu eigenlijk staat met de toeristenindustrie in (dit deel van) Duitsland. Er is maar een enkeling op het terras te vinden, en dat terwijl de taart helemaal niet slecht is. (Dat vinden de wespen ook, maar die zijn zoals bekend niet kieskeurig.) Van de handvol aanwezigen zijn er een paar hotelgasten, te herkennen aan de warme lunch die ze voorgeschoteld krijgen. Hier kan een volwassen uitspanning niet van leven: als dit de opkomst op een donderdag in het hoogseizoen is, vrees ik het ergste voor het Landeshotel Ringelsteiner Mühle.

Rustige taart
Terug op de fiets en terug aan de rivier komen we op het saaiste stuk tot nu toe: een fietspad als strook naast een vrij brede weg, met aan de bergkant een vrij druk bereden spoor. Het boekje waarschuwde ons al voor drukkere wegen dichter bij Koblenz. Wel bieden de hellingen, die kilometers lang te steil waren voor wijnbouw, nu weer ruimte voor druivenranken, met een plotselinge explosie aan monorailtjes en nu ook duorailtjes voor druiventransport waarvan we tot op dit moment maar een enkel exemplaar hebben gezien, ettelijke dagen geleden.

Vanaf Kattenes is er weer een echt fietspad aan de andere (berg)kant van het spoor en is het een stuk aangenamer fietsen. In Gondorf komen we plotseling op een erg leuk pleintje, dat ons noopt tot een pauze en mij tot het eerste (en enige) ijsje van de vakantie: een heuse banana split (met geconfijte kersen, net zo smerig als altijd).

Even terugkerend naar een observatie van gisteren, over de nogal wisselende aard van de dorpjes die we aandoen. Wat ligt ten grondslag aan die verschillende? Ik zou het zoeken het in een combinatie van toeval en ligging. Om met het laatste te beginnen: ik las naderhand dat Beilstein, dat ons gisteren zo bekoorde, een hele tijd (en dan hebben we het over eeuwenlang) vrijwel van alle verkeer verstoken was: geen verbindingswegen, alleen een pontje vanaf het er tegenoverliggende dorp. Achtergebleven gebied derhalve, maar zoals die dingen gaan is dat nadeel nu een voordeel: nooit gemoderniseerd vinden we het nu pittoresk. De beugelfles van Grolsch is per slot van rekening ook niets anders dan een langdurig falen om bij de tijd te blijven, nu als waarmerk van kwaliteit verkocht.

Druiventransport (duorail)
Dat is dan een voorbeeld van het effect van ligging; en evenzogoed kan goede bereikbaarheid zowel welvaart als risico met zich meebrengen (wie wel vaart is gewild en potentieel prooi voor de machtigen). Maar daarnaast is er het toeval: heeft de lokale heerser nakomelingen? Eén zaadje maakt het verschil tussen een langdurige strijd en een soepele erfopvolging. Of dit: één vonk kan een stad doen afbranden, en zo geschiedenis schrijven. Als Enschede in 1862 niet in de as was gelegd, zou het dan wel rijp zijn geweest voor de textielindustrie enige decennia later?

In procestermen zien we dus zowel continue effecten (ligging) als discrete (toeval); de combinatie van beiden maakt, dunkt me, dat geschiedenis eenmalig is, en onvoorspelbaar. Als het mogelijk zou zijn om de hele historie van deze regio, vanaf de Germanen en de Romeinen, experimenteel over te doen, zouden we net zoveel uitkomsten krijgen als experimenten.

Een historicus (waarvan zich er in mijn schoonfamilie een tweetal bevinden) zal zonder twijfel onbedaarlijk lachen om deze naïeve analyse.

Terug naar onze vakantie, want er valt nog wel meer te vertellen. Het loopt nog maar tegen drieën als we onze bestemming van vandaag bereiken, het dorpje Winningen. Dat stelt ons in staat om een stukje logistiek te heroverwegen. De auto staat nog altijd in Ruwer, bij Trier; het plan was om overmorgen (zaterdag) vanuit Koblenz terug te treinen, met fiets en al, en dan huiswaarts te rijden. Nu we eenmaal zover zijn doemt een andere optie op, namelijk om vandaag al de auto op te halen, die hier twee nachten te parkeren en dan zaterdag zonder verder gedoe meteen op Nederland af te koersen.

Verrassend marktpleintje Gondorf
Winningen kent een station, om het uur vertrekt een geschikte stoptrein, niets weerhoudt ons van dit boude plan. Zelfs een korte douche in ons Winningense appartement past in het schema, en de bagage kunnen we natuurlijk daar achterlaten. Het station is niet veel meer dan een bouwval, maar wel een bouwval met kaartautomaat. We wachten netjes in het stoffige stationshalletje tot de spoorbeambte ons met onze fietsen toegang verschaft tot het perron, zetten onze mondmaskers op en nemen plaats alsof het dagelijkse kost is.

De trein doet in anderhalf uur 24 stations aan, waaronder elk kleinste gat dat we eerder vandaag fietsend gepasseerd zijn. Ook ondertunnelen we de Prinzenkopf van eergisteren, en zijn we nu zelf het treintje dat we toen romantisch tegen de berghelling zagen kleven.

Eén station voor Trier stappen we uit, en zonder blikken of blozen fietsen we in een kwartier naar de auto, die braaf op ons staat te wachten. Zelfs de autosleutel hebben we bij ons. We vergeten ons te verbazen over het gemak waarmee dit allemaal verloopt; in plaats daarvan sjezen we in no time met fietsen in de achterbak weer noordoostwaarts. Zelfs Burg Eltz passeren we nog een keer, hoewel deze dusdanig door heuvels omringd is dat ze ook vanuit de auto niet zomaar te zien is. Misschien is dat wel de reden dat dit een Burg is en geen Burgruine: de fransozen konden het kasteel niet vinden en dus ook niet opblazen.

Camping-kantine
Een uur of vier na onze eerste aankomst in Winningen arriveren we er ten tweeden male, nu inclusief auto. Niet slecht. De auto mag blijven staan: het laatste programma-onderdeel, avondeten, kunnen we af met de fiets. Ons restaurant ditmaal: een camping-kantine op een eiland in de rivier. Nou ja, kantine is ironisch, het is ene volwaardig en heel behoorlijk restaurant, maar wel behorend bij een (grote) camping. Voor campers en sleurhutten wel te verstaan, zoals elke camping die we hier gezien hebben. Maar dat doet niets af aan de ambiance van het restaurant, aan de Moezel, onder een prieel. Een mooie afsluiting van alweer een mooie dag.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Dag 2: Ruwer - Trittenheim

Dag 8: Koblenz - Groningen

Dag 3: Trittenheim - Zeltingen